|
1866 |
450 INDUSTRIEELE ONDERNEMINGEN. |
|
1867 |
het restant verdeeld als volgt: 80 pct. aan aandeelhouders of indien |
|
1868 |
het reservefonds minder dan 10 pct. van het kapitaal bedraagt: 70 pct. |
|
1869 |
aandeelh. en 10 pct. reservefonds), 10 pct. aan commissarissen en 10 pct. |
|
1870 |
directeur. Inzake kwestie met de Gemeente Groningen omtrent naasting |
|
1871 |
zie men hieronder. De vennootschap ging in 1893 eene 4 pcts. obligatie- |
|
1872 |
leening aan van f 220.000 (in 1910 afgelost) en in 1897 eene van f 70.000, |
|
1873 |
waarvan op 1 Januari 1915 nog in omloop was f 38.000. In 1909 sloot de |
|
1874 |
Maatschappij een 4 pct. leening ad f 100.000, waarvan op 1 Januari 1915 |
|
1875 |
nog f 60.000 uitstond. |
|
1876 |
Naastingskwestie. Volgens overeenkomst heeft de gemeente Groningen het |
|
1877 |
recht om na verloop van 40 jaren na het tijdstip van openstelling der waterleiding |
|
1878 |
(21 Februari 1921), deze over te nemen tegen betaling van het twintigvoud der |
|
1879 |
gemiddelde netto-opbrengst over het 30ste tot het 39ste jaar der exploitatie (1911- |
|
1880 |
1920). Indien de gemeente niet voor het eindigen van het 40ste jaar haar voornemen |
|
1881 |
tot naasting heeft te kennen gegeven, zal de overeenkomst geacht worden voor |
|
1882 |
20 jaren te zijn verlengd, na welk tijdvak de gemeente weder recht tot overname |
|
1883 |
heeft tegen betaling van het twintigvoud der gemiddelde netto-opbrengst van de |
|
1884 |
laatste 10 jaren. In 1908 werd een voorstel om de Waterleiding à 276 pct. aan de |
|
1885 |
gemeente over te dragen, verworpen; daarna werd een voorstel (overdracht in 1921 |
|
1886 |
tegen 15 maal de gemiddelde winst van de laatste 10 jaren, overeenkomend met |
|
1887 |
250 pct. in 1921 door aandeelhouders aangenomen. De gemeente nam het aanbod |
|
1888 |
echter niet aan, doch besloot in Aug. 1907 een eigen waterleiding aan te leggen. |
|
1889 |
De maatschappij is van meening, dat dit een inbreuk op de concessie-voorwaarden |
|
1890 |
is en zal dit langs gerechtelijken weg doen uitmaken. - Medio 1912 stelde de Ge- |
|
1891 |
meente, teneinde voor het geleverde water geen directe betaling te moeten vragen, |
|
1892 |
een waterbelasting in; de koninklijke goedkeuring, voor deze belasting vereischt,. |
|
1893 |
werd evenwel geweigerd. Eind 1912 was deze gemeente-waterleiding in exploitatie. - |
|
1894 |
In de op 5 April 1913 gehouden vergadering van den gemeenteraad van Groningen |
|
1895 |
werd onder voorbehoud der goedkeuring van Gedeputeerde Staten besloten: 1e. dat |
|
1896 |
de gemeente Groningen zich zal verdedigen tegen den bij dagvaarding van 22 Fe- |
|
1897 |
bruari 1913 door de N. V. „de Groninger Waterleiding" tegen haar ingestelden eisch; |
|
1898 |
2e. data de gemeente Groningen tevens tegen de N. V. „de Groninger Waterleiding" zal |
|
1899 |
instellen een eisch in reconventie, strekkende tot ontbinding van de tusschen haar |
|
1900 |
en de gemeente bestaande overeenkomst op grond van wanprestatie, met vergoeding |
|
1901 |
van kosten, schaden, interessen, nader op te maken bij staat en te vereffenen |
|
1902 |
volgens de wet. |
|
1903 |
De rechtbank te Groningen heeft eind Juni 1914 uitspraak gedaan in het proces |
|
1904 |
van de N.V. De Groninger Waterleiding, tegen de gemeente Groningen. De recht- |
|
1905 |
bank, a. in reconventie: verklaart den eisch niet ontvankelijk; b. in conventie: ver- |
|
1906 |
klaart dat het exploiteeren van eene waterleiding in de gemeente Groningen door |
|
1907 |
die gemeente ten behoeve van de ingezetenen dier gemeente is in strijd met de |
|
1908 |
tusschen haar en eischeres bestaande overeenkomst; veroordeelt de gedaagde q.q. |
|
1909 |
om aan eischeres te vergoeden alle kosten, schaden en interessen door eischeres ge- |
|
1910 |
leden en te lijden ten gevolge van bovenvermelde onrechtmatige handeling van de |
|
1911 |
gemeente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens het voorschrift der |
|
1912 |
wet; gelast de gedaagde q.q. om de aansluitingen van particulieren aan de ge- |
|
1913 |
meentewaterleiding binnen drie maanden na de beteekening van dit vonnis op te |
|
1914 |
heffen, - ontzegt den eisch voor het overige. De rechtbank overwoog in reconventie |
|
1915 |
onder meer, dat uit de overeenkomst volgt, dat de exploitanten de tarieven en |
|
1916 |
voorwaarden hebben vast te stellen en te herzien en daarin vrij zijn, mits deze niet |
|
1917 |
boven de maxima van art. 6 worden opgevoerd, terwijl uit dit laatste weder volgt, |
|
1918 |
dat de goedkeuring van den gemeenteraad zich bepaalt tot de contrôle of door de |
|
1919 |
exploitanten art. 6 behoorlijk wordt nageleefd en dat die Raad, zoo zulks het geval |
|
1920 |
blijkt te zijn, daaraan zijn goedkeuring niet mag onthouden; dat aan den gestelden |
|
1921 |
eisch van goedkeuring der tarieven door den Raad is voldaan in 1880, zoodat moet |
|
1922 |
worden aangenomen, dat er sedert voor de gemeente niets weer goed te keuren |
|
1923 |
viel, zoolang de tarieven niet werden veranderd; dat de grondslag van den eisch |
|
1924 |
der gemeente ontbreekt, zelfs al was er sprake van sedert 1896 niet goedgekeurde |
|
1925 |
tarieven en dat de vordering mitsdien niet is ontvankelijk en het contract in |
|
1926 |
conventie geageerd nog tusschen partijen is van kracht. In conventie overwoog de |
|
1927 |
rechtbank onder meer, dat de gemeente zich niet verbonden heeft om zich zelve |
|
1928 |
niet van water te voorzien, maar wel heeft ze zich verbonden om niet aan de |
|
1929 |
ingezetenen water te leveren, omdat door de overeenkomst elke concurrentie met de: |
|
1930 |
naamlooze vennootschap is uitgesloten. (Zie voorts „Uit Verslag 1914"). |