Page 526 in yearbook 1917

Page 526 in yearbook 1917

Page Block

Scanned page

Yearbook Vol. Seq P.no Type Size File
1917 vanoss_1917-18_domestic 526 482 content 1926 × 2457 1917/25079

Blocks on this page 0

No blocks have been marked on this page.

Page content 69

The raw OCR output of this page, line by line.
2418 482 INDUSTRIEELE ONDERNEMINGEN.
2419 echter niet aan, doch besloot in Aug. 1907 een eigen waterleiding aan te leggen.
2420 De maatschappij is van meening, dat dit een inbreuk op de concessie-voorwaarden
2421 is en zal dit langs gerechtelijken weg doen uitmaken. - Medio 1912 stelde de Ge-
2422 meente, teneinde voor het geleverde water geen directe betaling te moeten vragen,
2423 een waterbelasting in; de koninklijke goedkeuring, voor deze belasting vereischt,.
2424 werd evenwel geweigerd. Eind 1912 was deze gemeente-waterleiding in exploitatie. -
2425 In de op 5 April 1913 gehouden vergadering van den gemeenteraad van Groningen
2426 werd onder voorbehoud der goedkeuring van Gedeputeerde Staten besloten: 1e. dat.
2427 de gemeente Groningen zich zal verdedigen tegen den bij dagvaarding van 22 Fe-
2428 bruari 1913 door de N. V. „de Groninger Waterleiding“ tegen haar ingestelden eisch;
2429 2e. dat de gemeente Groningen tevens tegen de N. V. „de Groninger Waterleiding" zal'
2430 instellen een eisch in reconventie, strekkende tot ontbinding van de tusschen haar
2431 en de gemeente bestaande overeenkomst op grond van wanprestatie, met vergoeding
2432 van kosten, schaden, interessen, nader op te maken bij staat en te vereffenen
2433 volgens de wet.
2434 De rechtbank te Groningen heeft eind Juni 1914 uitspraak gedaan in het proces
2435 van de N.V. De Groninger Waterleiding, tegen de gemeente Groningen. De recht-
2436 bank, a. in reconventie: verklaart den eisch niet ontvankelijk; b. in conventie: ver-
2437 klaart dat het exploiteeren van eene waterleiding in de gemeente Groningen door
2438 die gemeente ten behoeve van de ingezetenen dier gemeente is in strijd met de
2439 tusschen haar en eischeres bestaande overeenkomst; veroordeelt de gedaagde q.q.
2440 om aan eischeres te vergoeden alle kosten, schaden en interessen door eischeres ge-
2441 leden en te lijden ten gevolge van bovenvermelde onrechtmatige handeling van de-
2442 gemeente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens het voorschrift der-
2443 wet; gelast de gedaagde q.q. om de aansluitingen van particulieren aan de ge-
2444 meentewaterleiding binnen drie maanden na de beteekening van dit vonnis op te
2445 heffen, - ontzegt den eisch voor het overige. De rechtbank overwoog in reconventie-
2446 onder meer, dat uit de overeenkomst volgt, dat de exploitanten de tarieven en
2447 voorwaarden hebben vast te stellen en te herzien en daarin vrij zijn, mits deze niet.
2448 boven de maxima van art. 6 worden opgevoerd, terwijl uit dit laatste weder volgt,
2449 dat de goedkeuring van den gemeenteraad zich bepaalt tot de contrôle of door de-
2450 exploitanten art. 6 behoorlijk wordt nageleefd en dat die Raad, zoo zulks het geval
2451 blijkt te zijn, daaraan zijn goedkeuring niet mag onthouden; dat aan den gestelden
2452 eisch van goedkeuring der tarieven door den Raad is voldaan in 1880, zoodat moet
2453 worden aangenomen, dat er sedert voor de gemeente niets weer goed te keuren
2454 viel, zoolang de tarieven niet werden veranderd; dat de grondslag van den eisch
2455 der gemeente ontbreekt, zelfs al was er sprake van sedert 1896 niet goedgekeurde-
2456 tarieven en dat de vordering mitsdien niet is ontvankelijk en het contract in
2457 conventie geageerd nog tusschen partijen is van kracht. In conventie overwoog de
2458 rechtbank onder meer, dat de gemeente zich niet verbonden heeft om zich zelve
2459 niet van water te voorzien, maar wel heeft ze zich verbonden om niet aan de
2460 ingezetenen water te leveren, omdat door de overeenkomst elke concurrentie met de
2461 naamlooze vennootschap is uitgesloten.
2462 Het hof te Leeuwarden wees op 3 November 1915 arrest in dit geding, waarbij het.
2463 de conclusie van den procureur-generaal te Leeuwarden onaannemelijk achtte en
2464 op verschillende gronden van oordeel was, dat de gemeente niet heeft gehandeld in
2465 strijd met de overeenkomst, zoodat de eisch in conventie moet worden ontzegd en het
2466 vonnis der Rechtbank - voor zoover die eisch daarbij is toegewezen - moet worden
2467 vernietigd (zie de uitspraak in conventie der rechtbank te Groningen, einde Juni
2468 1914, hierboven opgenomen). Volgens het arrest van het hof mag de gemeente dus
2469 water aanvoeren voor eigen gebruik en voor levering aan particulieren. Het Hof
2470 overwoog o.m. dat de Waterleiding Mpij. zich ten aanzien van de tarieven plaatsi
2471 op een onjuist standpunt en de gemeente dus niet kan gezegd worden te handelen
2472 in strijd met de goede trouw, wanneer zij een concurrerende waterleiding in
2473 exploitatie brengt, tenzij het contract een bepaald verbod inhield. De eisch der ge-
2474 meente (in reconventie, strekkende tot ontbinding der bestaande overeenkomst)
2475 werd onbesproken gelaten, terwijl de partijen werden veroordeeld in het dragen
2476 harer eigen kosten. De mpij. heeft daarna opnieuw cassatie aangetekend, met het.
2477 gevolg dat bij vonnis van den Hoogen Raad van 10 Nov. 1916 het arrest van het.
2478 Hof te Leeuwarden vernietigd werd en in Februari 1917 een nieuwe procedure voor
2479 genoemd Hof is aangevangen. (Zie ook „Uit Verslag 1916").
2480 In eene op 18 September 1917 genomen conclusie van het gerechtshof te Leeuwar-
2481 den werd o.m. aangevoerd, dat de Raad der Gem. Groningen het concept-contract.
2482 met de Gron. Waterleiding Mpij. goedkeurde en B. en W. het contract afsloten zonder
2483 dat aan concessionarissen (de Gron. Waterl. Mpij.) werd medegedeeld, dat de door
2484 hen uitgesproken verwachting (dat zij nl. een uitsluitend recht tot levering van
2485 water zouden verkrijgen) onjuist zoude zijn en dus ook deze feiten bevestigen het
2486 beroep, dat de Waterleiding steeds heeft gedaan op art. 14 van het contract, als