|
23564 |
MIJNBOUW-MAATSCHAPPIJEN. 889 |
|
23565 |
lijk f 1.500.000 uitgegeven, waarvan aan de firma Müller f 1.202.000 voor |
|
23566 |
den inbreng werden uitgereikt; de overige f 298.000 werden à pari geplaatst. |
|
23567 |
Op 1 Juli 1908 werden onderhands nog f 1.500.000 aandeelen geplaatst en |
|
23568 |
volgestort, terwijl in 1913 nog f 2.000.000 gewone aandeelen door de houders |
|
23569 |
der reeds uitstaande gewone aandeelen werden genomen. Voor de aan- |
|
23570 |
leiding tot de kapitaalsvergrooting van 1908, alsmede voor de uit- |
|
23571 |
gifte in dat jaar van nog f 2.000.000 obligatiën, zie jaargang 1909. |
|
23572 |
De inschrijving op de f 2.000.000 6 pct. cumulatief preferente |
|
23573 |
aandeelen, elk groot f 1000, stond op 7 Juni 1910 open tot den koers |
|
23574 |
van 100 pct. bij de Rotterdamsche Bank en bij Labouchere Oyens & Co.'s |
|
23575 |
Bank, terwijl op 8 April 1913 bij dezelfde banken à 100 pct. de inschrijving |
|
23576 |
openstond op een zelfde bedrag dezer aandeelen, inclusief dividend 1913, |
|
23577 |
zijnde f 1.000.000 reeds vast geplaatst Het totale bedrag der uitstaande |
|
23578 |
preferente aandeelen zal nimmer grooter mogen zijn dan dat der uitstaande |
|
23579 |
gewone aandeelen. Er zijn 100 oprichtersbewijzen uitgegeven. |
|
23580 |
Dividend gewone aandeelen 1903-1918: 4, 4, 4, 6, 10, 6, 8, 8, 10, 10, |
|
23581 |
13, 5, (no. 12), 0, 0, 0 en 0 pct .; pref. aand. 1910: 3} pct. (6 mnd.); 1911- |
|
23582 |
1915 : telkens 7 pct .; 1915-1918: telkens 6 pct. (no. 12 2 Juni 1919). U i t ke e- |
|
23583 |
ring oprichtersbewijzen 1907-1913: f 200, 0, f200, f250, f 500, f 500 en |
|
23584 |
f 1250 (no. 6), sedert nihil. Winstverdeeling: eerst 6 pct. aan pref. |
|
23585 |
aand. ; voor 1910: 3 pct., de eventueel ontbrekende rente vullen uit de buiten- |
|
23586 |
gewone reserve, daarna 6 pct. gewone aandeelen. Van het resteerende: |
|
23587 |
10 pct. reservefonds en van het daarna overblijvende: 10 pct. pref. aandee- |
|
23588 |
len, 65 pct. gewone aandeelen, 25 pct. oprichtersbewijzen. 5 pct. obli- |
|
23589 |
gatiën van 1903, 1908, 1911 en 1913, met coupons per 1 |
|
23590 |
Februari en 1 Augustus. Aflosbaar door uitloting à pari in Mei, ter |
|
23591 |
afbetaling op 1 Augustus d.a.v. Versterkte of geheele aflossing |
|
23592 |
is geoorloofd, mits het plan hiertoe vóór 1 April is bekend gemaakt. Ge- |
|
23593 |
schiedt zulks voor de leening van 1908 vóór 1916, voor die van 1911 vóór 1919, |
|
23594 |
en voor die van 1913 vóór 1928, dan moet de aflossing à 101 pct. plaats |
|
23595 |
vinden. Het uitlotingsplan is voor de leening 1903 in de jaren 1904-1923, |
|
23596 |
voor de leening van 1908 in de jaren 1910-1929, voor de leening 1911 in de |
|
23597 |
jaren 1913-1932 als volgt: 60, 63, 67, 70, 74, 77, 81, 85, 89, 94, 99, 103, 109, |
|
23598 |
114, 120, 125, 132, 139, 146 en 153 stuks, terwijl het plan van aflossing voor |
|
23599 |
de leening 1913, als volgt is: 1915-1934: 90, 95, 100, 105, 111, 116, 121, 127, |
|
23600 |
133, 141, 148, 155, 164, 171, 180, 187, 198, 209, 219 en 203 obligatiën. De uit- |
|
23601 |
giften in 1913 geschiedden tot verdere uitbreiding der werkzaamheden en |
|
23602 |
in verband daarmede tot vermeerdering der kasmiddelen. Garan- |
|
23603 |
tie: De commanditaire venn. onder de firma Wm. H. Müller & |
|
23604 |
Co. te Rotterdam, stelt zich onvoorwaardelijk borg voor aflossing en rente- |
|
23605 |
betaling dezer leeningen. Trustee: Het Algemeen Administratie- en |
|
23606 |
Trustkantoor te Rotterdam. De inschrijving op de leening van 1903 ad |
|
23607 |
f 2.000.000 was op 18 Februari 1903 à 98 pct., die op de leening van 1908 |
|
23608 |
ad f 2.000.000 was op 16 Juli 1908 à 98 pct. opengesteld bij de Roterdamsche |
|
23609 |
Bank en Labouchere Oyens & Co.'s Bank; de leening van 1911, groot |
|
23610 |
f 2.000.000, werd uitgegeven op 25 October 1911 bij de Rotterdamsche Bank- |
|
23611 |
vereeniging en Labouchere Oyens & Co.'s Bank, à 982 pct., terwijl de lee- |
|
23612 |
ning 1913, groot f 3.000.000, waarvan echter reeds f 1.000.000 vast ge- |
|
23613 |
plaatst was, bij dezelfde emittenten werd uitgegeven à 97 pct. Uitstaand |
|
23614 |
bedrag op 1 Januari 1919: leening 1903 f 695.000, leening 1908 f 1.334.000, |
|
23615 |
leening 1911 f 1.589.000 en leening 1913 f 2.610.000. |