|
33331 |
PETROLEUM-MAATSCHAPPIJEN. 1105 |
|
33332 |
de heeren Th. Blijdenstein en J. Bienfait. Na breedvoerige discussies trok Mr. Bieder- |
|
33333 |
lack zijn voorstellen in en alleen punt 3 daarvan, door Mr. J. Kappeyne van de |
|
33334 |
Coppello geamendeerd, werd in stemming gebracht. Deze motie, door de vergadering |
|
33335 |
met algemeene stemmen aangenomen, luidde als volgt: „De vergadering verzoekt |
|
33336 |
de directie dringend om, na ingewonnen rechtskundig advies en daartoe termen |
|
33337 |
vindende, de afgetreden directie in rechten aan te spreken tot vergoeding van alle |
|
33338 |
schade door aankoop van de aandeelen Zuid-Perlak door de Perlak geleden. In |
|
33339 |
geval het bestuur daartoe niet besluit, zal het rechtskundig advies ter kennis |
|
33340 |
worden gebracht van de algemeene vergadering van aandeelhouders." |
|
33341 |
Procedure tegen den heer E. Deen. Naar aanleiding van de op 4 Juni 1915 |
|
33342 |
aangenomen motie heeft de directie zich gewend tot mr. K. J. Philips, advocaat |
|
33343 |
en procureur te Amsterdam, die in zijn advies tot de conclusie kwam, om een |
|
33344 |
procedure tegen den heer E. Deen aan te vangen. Hiertoe is overgegaan en de |
|
33345 |
directie heeft eene procedure aanhangig gemaakt bij den kantonrechter te 's Gra- |
|
33346 |
venhage, waarbij de heer E. Deen wordt aangesproken tot betaling van schade |
|
33347 |
vergoeding, begroot op een bedrag van f 4.831.500. In October 1915 werd bij den |
|
33348 |
kantonrechter mr. Boudewijnse te 's Gravenhage de vordering aangebracht. Als |
|
33349 |
gemachtigde van eischeresse concludeerde mr. C. J. de Vries, advocaat te 's Gra- |
|
33350 |
venhage, tot toewijzing van den eisch. Voor gedaagde kwamen op mrs. J. Kappeyne |
|
33351 |
van de Coppello, advocaat te Amsterdam, en W. A. Telders, advocaat te 's Graven- |
|
33352 |
hage. De kantonrechter te 's Gravenhage, mr. Boudewijnse, op 6 November 1917 |
|
33353 |
bij vervroeging uitspraak doende inzake de vordering van de Perlak-Petroleum |
|
33354 |
Maatschappij tegen den heer Deen, verklaarde eischeres niet ontvankelijk in haar |
|
33355 |
vordering. Het vonnis overwoog o. m., dat ten aanzien van geen der door de |
|
33356 |
Perlak-Maatschappij gestelde punten aannemelijk wordt gemaakt, dat gedaagde |
|
33357 |
ter verkrijging van de goedkeuring van de balans en winst- en verliesrekening over |
|
33358 |
1909 en daarmede van zijn décharge als directeur, opzettelijk misleidend tegenover |
|
33359 |
de aandeelhouders van eischeresse heeft gehandeld. Met voorbijgang van het over |
|
33360 |
en weer door partijen aangeboden getuigenbewijs is eischeresse tevens veroordeeld |
|
33361 |
in de kosten van het geding. |
|
33362 |
De mpij. ging daarop bij de rechtbank te 's-Gravenhage in hooger beroep. Door |
|
33363 |
ziekte en daaropvolgenden dood van den advocaat harer tegenpartij, kon in October |
|
33364 |
van dit verslagjaar in dit proces niet worden gepleit. Deze pleidooien hadden nu |
|
33365 |
plaats op 3 en 5 Mei 1920, waarop eind Juni 1920 de uitspraak volgde. Het volledige |
|
33366 |
vonnis is opgenomen in jaarg. 1922 blz. 1126 en volgende. De rechtbank vernietigde |
|
33367 |
daarbij het vonnis van den Kantonrechter te 's Gravenhage van 6 Nov. 1917, wees de |
|
33368 |
vordering der mpij. toe en veroordeelde geintimeerde om aan de mpij. te vergoeden |
|
33369 |
alle kosten, schaden en interessen door haar geleden en nog te lijden tengevolge van |
|
33370 |
voormelden aankoop der 1500 aandeelen Zuid Perlak op te maken bij staat en te |
|
33371 |
vereffenen volgens de wet. |
|
33372 |
Cassatie-beroep. Op 16 October 1920 heeft het cassatie-beroep, door den |
|
33373 |
heer Deen tegen het vonnis van de Haagsche rechtbank plaats gehad. De plei- |
|
33374 |
dooien voor den Hoogen Raad zijn op 11 Maart 1921 begonnen. Op 17 Juni 1921 deed |
|
33375 |
de Hooge Raad uitspraak waarbij zij het cassatieberoep van den |
|
33376 |
heer Deen heeft verworpen. |
|
33377 |
De conclusie van den advocaat-generaal alsmede de beslissing van den Hoogen |
|
33378 |
Raad zijn eveneens in extenso opgenomen in jaarg. 1922 (blz. 1131 e.v.) |
|
33379 |
In het verslag over 1921 deelt de directie mede dat de heer Deen de gevorderde |
|
33380 |
schadevergoeding van f 4.831.500 met 5 pct. rente 's jaars sinds 10 Nov. 1915 |
|
33381 |
heeft betwist en dat daarover thans voor de Rechtbank te 's Gravenhage wordt |
|
33382 |
geprocedeerd. In het verslag over 1922 werd medegedeeld dat in dit geding bij |
|
33383 |
vonnis van 29 Dec. 1922, de heer Deen werd veroordeeld tot betaling van f 4.786.200 |
|
33384 |
met rente à 5 pct. 's jaars sinds den 10en November 1915 tot den dag der betaling, |
|
33385 |
tegen afgifte door de mpij. van de1500 gewone aandeelen „Zuid Perlak“. Tegen |
|
33386 |
dit vonnis werd cassatieberoep ingesteld. In het verslag over 1923 wordt mede- |
|
33387 |
gedeeld dat de Hooge Raad in zijn zitting van 21 Dec. 1923 het vonnis van |
|
33388 |
de Haagsche Rechtbank van 29 Dec. 1922 vernietigde, met terugwijzing der zaak |
|
33389 |
naar dezelfde Rechtbank, ter afdoening met inachtneming van zijn arrest. |
|
33390 |
Op 29 April 1924 heeft de Haagsche Rechtbank opnieuw vonnis gewezen |
|
33391 |
en het beroep ongegrond geoordeeld. De eerste schadepost bij het vonnis van |
|
33392 |
29 Dec. 1922 vastgesteld op f 1.028.700 per 10 Nov. 1915 werd gehandhaafd, terwijl |
|
33393 |
t. o. v. de tweede post, zijnde het kapitaalverlies door de Perlak op den aankoop |
|
33394 |
der aandeelen Zuid-Perlak geleden, de Rechtbank besliste, dat de Perlak tot het |
|
33395 |
door haar gestelde schadebedrag van f 3.682.500 op haren eed zou worden geloofd. |
|
33396 |
De eed tot vaststelling van de genoemde post werd op 27 Mei 1924 door den |
|
33397 |
heer Blok Wijbrandi, directeur der Perlak, afgelegd, tot een bedrag van f 3.271.300, |
|
33398 |
daarmede de totale vordering afrondende op f 4.300.000. |
|
33399 |
Op 29 Juni 1924 werd Deen door de rechtbank veroordeeld tot betaling van |
|
33400 |
f 4.300.000 met 5 pct. rente sinds 10 November 1915. Deen stelde daarop opnieuw |
|
33401 |
cassatieberoep in bij den Hoogen Raad, doch bij arrest van dit College van |
|
33402 |
13 Februari 1925 werd dit beroep verworpen en de vonnissen van de Recht- |
|
33403 |
bank hebben dus kracht van gewijsde. Na deze uitspraak in hoogste instantie is |
|
33404 |
VAN Oss, Effectenboek voor 1926. XXIII'. 70 |