|
38358 |
1098 SCHEEPVAART-MAATSCHAPPIJEN. |
|
38359 |
resp. in 1920 en 1922 opgeleverd. In de „Oranje Nassau" werden in 1932 nieuwe |
|
38360 |
ketels aangebracht. |
|
38361 |
Regeeringsovereenkomst. Na verlengingen in 1898 en 1908, en vernieuwing op |
|
38362 |
1 Oct. 1918, werd ingaande 1 Jan. 1920 een nieuwe overeenkomst aangegaan voor |
|
38363 |
onbepaalden tijd, welke met ingang van 1 Januari 1927 in 1927 wederom is ver- |
|
38364 |
nieuwd. Wederzijdsche opzegging is mogelijk vóór 1 Juli per 1 Jan. d.a.v. De mpij. |
|
38365 |
werd in 1921 door de Ned. Regeering en in 1922 door de Comm. Venn. Wm H. |
|
38366 |
Müller & Co. met een leening gesteund. De restanten dezer leeningen ad resp. |
|
38367 |
f 1.440.000 en f 325.000, werden in 1930 afgelost. Bijzonderheden omtrent deze |
|
38368 |
steunverleening vindt men op pag. 1303 van deel I 1931. Ingaande 1 Jan. 1927 |
|
38369 |
is van kracht geworden een 20-jarige overeenkomst met de London & North Eastern |
|
38370 |
Ry. Hierdoor is een behoorlijk aandeel van het totaal verkeer tusschen Engeland |
|
38371 |
en Nederland verzekerd. De booten gaan daardoor in plaats van op Folkestone |
|
38372 |
in dagdienst op Harwich. Einde 1876 werd overgegaan tot de uitgifte van |
|
38373 |
f 3.200.000 4} pcts. obligatiën à 96} pct., welke rechtstreeks en onvoorwaardelijk |
|
38374 |
door Prins Hendrik der Nederlanden (toen eere-voorzitter der mpij.) voor rente |
|
38375 |
en aflossing waren gewaarborgd. (Zie den jaarg. 1907, blz. 851). In Oct. 1882 wer- |
|
38376 |
den door de erfgenamen van den in 1879 overleden prins, de nog uitstaande |
|
38377 |
f 2.913.000 obligatiën geheel afgelost. De erfgenamen ontvingen daartegen à pari |
|
38378 |
volgens overeenkomst f 1.456.500 preferente aandeelen B, 1600 bewijzen van |
|
38379 |
deelgerechtigdheid, welke laatste in 1883 door de Mpij. werden ingekocht, bene- |
|
38380 |
vens terugbetaling van het door den Prins gegeven voorschot van f 110.815. Vóór |
|
38381 |
de uitgifte van genoemde f 1.456.500 aandeelen B. aan de erfgenamen van den |
|
38382 |
Prins, stonden uit f 1.169.000 aandeelen le en 2e serie; deze werden tegelijk met de |
|
38383 |
uitgifte der B-aandeelen met 50 pct. gereduceerd tot f 584.500 en genoemd aan- |
|
38384 |
deelen A. |
|
38385 |
Het kapitaal bedroeg daarna dus f 2.041.000, verdeeld in twee seriën: de eerste |
|
38386 |
serie, in gewone aandeelen A, groot f 584.500, de tweede serie, in preferente aan- |
|
38387 |
deelen B, groot f 1.456.500. In 1899 werd elk dezer beide seriën op de helft ver- |
|
38388 |
minderd; derhalve tot f 292.250 gewone aandeelen A en f 728.250 pref. aandeelen |
|
38389 |
B, tezamen f 1.020.500. In Juni 1911 nam de Mpij. tot Exploitatie van S.S.f 1.000.000 |
|
38390 |
aandeelen C. à 100 pct. over (in 1921 weder à pari aan den Staat verkocht), terwijl |
|
38391 |
van de preferente aandeelen het recht van preferentie werd afgekocht door ver- |
|
38392 |
goeding van f 50 per stuk zoodat het geplaatst kapitaal thans uit f 2.020.500 a a n- |
|
38393 |
deelen bestaat, en verdeeld is in 3 seriën t.w. de serie A, ad f 292.250, in stuk- |
|
38394 |
ken groot f 250 en (f 125), serie B ad f 728.250, in stukken groot f 250 en serie C |
|
38395 |
ad f 1.000.000 in stukken groot f 250. Omtrent de afgeloste 4 en 3} pcts. leeningen |
|
38396 |
1911 en 1895, verstrekt door de Mij. tot Expl. van Staatsspoorwegen, zie men |
|
38397 |
jrg. 1928 en 1931. |
|
38398 |
Winstverdeeling: na afschrijving en reserveeringen eerst 5 pct. dividend op de |
|
38399 |
aandeelen. De rest komt ter beschikking der A. V. Indien deze tot geheele of ge- |
|
38400 |
deeltelijke uitkeering besluit, geschiedt de verdeeling als volgt: 10 pct. aan het |
|
38401 |
reservefonds, 5 pct. aan de directie, 5 pct. ter beschikking van commissarissen |
|
38402 |
ter bestemming voor derden en het overige aan aandeelhouders. |
|
38403 |
Dividenden: 1875-1881: nihil; 1882-1886: 5.4, 6, 6, 6 en-6 pct .; 1887- |
|
38404 |
1911: nihil; 1912-1914: 6, 6, en 10 pct .; 1915-1929: nihil; 1930: 5 pct. |
|
38405 |
(no. 4, 1 Juli 1931 bij de A. C., R. B. V., N. I. H. en bij de Venn.); sedert: nihil. |
|
38406 |
Regeeringscommissarissen: Jhr. Mr. J. W. Quarles van Ufford en Mr. H. J. |
|
38407 |
Silvergieter Hoogstad resp. benoemd door de Ministers van Binnenlandsche Zaken |
|
38408 |
en van Waterstaat, de eerste, ingevolge Post-overeenkomst, de tweede ingevolge |
|
38409 |
art. 12 der statuten. Commissarissen: T. H. de Meester (voorz.), E. M. Alberts |