|
46190 |
1278 SPOORWEGFONDSEN. |
|
46191 |
de renten door den Staat worden gewaarborgd, zal in geen geval de som van |
|
46192 |
f 17.000.000 mogen overtreffen. Art. 74. De Staat waarborgt aan de vennootschap |
|
46193 |
over het tijdvak tusschen 1 Januari 1869 en 31 December 1906, een rente van 42 pct. |
|
46194 |
over het in art. 73 genoemde kapitaal. Het maximum dier garantie wordt bepaald |
|
46195 |
op f 765.000 's jaars. Art. 76. De door den Staat voor te schieten gelden stellen een |
|
46196 |
schuld daar, ten laste van de vennootschap en ten behoeve van den Staat welke |
|
46197 |
sehuld echter geen rente draagt. De terugbetaling daarvan geschiedt op den voet |
|
46198 |
bij art. 90 bepaald. Art. 90. Zoodra de winst- en verliesrekening een zuivere |
|
46199 |
winst aantoont van meer dan 5 pct., zal dat meerdere tot een bedrag van |
|
46200 |
1 pct. worden ingehouden tot terugbetaling aan den Staat van hetgeen deze voor |
|
46201 |
rente gedurende den tijd van aanbouw heeft betaald, en van de eventueele voor- |
|
46202 |
schotten, door hem verstrekt, ten gevolge van den waarborg der rente. Zoolang |
|
46203 |
de Staat crediteur der vennootschap is, zal geene hoogere winst dan 7 pct. aan |
|
46204 |
de aandeelhouders mogen worden uitgekeerd, maar het meerdere voor twee derde |
|
46205 |
deelen mede moeten strekken tot delging der schuld, aan den Staat, terwijl van het |
|
46206 |
overige de helft wordt uitgekeerd aan het bestuur der vennootschap, en de andere |
|
46207 |
helft op de reserverekening wordt gebracht. Zoodra de schuld aan den Staat ge- |
|
46208 |
heel is aigedragen, treedt deze op voor een deel der winsten, die jaarlijks boven |
|
46209 |
de 5 pct. worden verkregen, zullende dit meerdere alsdan worden verdeeld: 50 pct. |
|
46210 |
aan de aandeelhouders, 25 pct. aan den Staat, 15 pct. aan het reservefonds, 10 pct. |
|
46211 |
aan het bestuur der vennootschap. Zoodra het reservefonds tot het maximum |
|
46212 |
van / 500.000 is gebracht, houdt de bijdrage onder dit hoofd op, en wordt het |
|
46213 |
gebracht op de amortisatie-rekening. |
|
46214 |
Gewijzigde concessievoorwaarden voor de Stoomtramwegen der |
|
46215 |
N. I. S. in Midden Java. |
|
46216 |
De voornaamste bepalingen dezer in October 1913 gewijzigde concessievoorwaarden |
|
46217 |
volgen hieronder. |
|
46218 |
Concessie is verleend voor de volgende groepen: |
|
46219 |
K.M |
|
46220 |
Groep 1 Djokja-Brossot met zijlijnen 59 |
|
46221 |
2 Djokja-Willem I 111 |
|
46222 |
, 3 Goendih-Soerabaja 383 |
|
46223 |
„, 4 Bojolali-Solo-Kakak 99 |
|
46224 |
,, 5 Semarang-Gambringan 62 |
|
46225 |
714 |
|
46226 |
Duur der concessie: tot 31 December 1971. |
|
46227 |
Naastingsrecht. Na 31 December 1935 kunnen de tramwegen te allen tijde |
|
46228 |
door het Gouvernement worden genaast, mits voorafgaande kennisgeving van één |
|
46229 |
jaar, welke kennisgeving echter geen bindende kracht heeft. Bij naasting van den |
|
46230 |
spoorweg Semarang-Vorstenlanden vóór of op het tijdstip waarop de concessie voor |
|
46231 |
dien spoorweg afloopt, is het Gouvernement verplicht den tramweg Djokja-Brossot |
|
46232 |
tevens over te nemen. Voor groep 5 is naasting te allen tijde mogelijk 10 jaren |
|
46233 |
na het eerste jaar, waarop de hoofdlijn dier groep in dienst werd gesteld. |
|
46234 |
Bedrag te betalen bij naasting of bij overneming na het |
|
46235 |
einde der concessie. |
|
46236 |
I. Als naastingssom geldt voor elke groep afzonderlijk een bedrag A, berekend |
|
46237 |
naar onderstaande formule: |
|
46238 |
0-D |
|
46239 |
A = B + (25 E-B) x - |
|
46240 |
. C |
|
46241 |
Verklaring: |
|
46242 |
B = de boekwaarde der goederen op het oogenblik van naasting, t.w. het totaal |
|
46243 |
der bouw- en uitbreidingsrekening plus de kostprijs van het bij naasting aanwezige |
|
46244 |
rollend materieel. Deze kostprijs is te verminderen met 1} pct. voor elk kalender- |
|
46245 |
jaar, verloopen sedert het eerste jaar van indienststelling; maximum korting 25 pct. |
|
46246 |
C = 'het aantal maanden tusschen 1 Jan. 1913 en 31 Dec. 1971. |
|
46247 |
D = het aantal maanden op het oogenblik van naasting verstreken sedert |
|
46248 |
1 Januari 1913. |
|
46249 |
E = de gemiddelde netto-opbrengst per jaar gedurende de voordeligste 5 van de |
|
46250 |
laatste 7 boekjaren, voorafgaande aan den dag van naasting. Als netto-opbrengst |
|
46251 |
wordt verstaan het verschil tusschen: eenerzijds alle baten, inclusief wagenhuren, |
|
46252 |
vergoedingen voor gemeenschappelijk gebruik, pachtsommen, renten van kasgeld, |
|
46253 |
enz., doch niet de opbrengst van vervreemde goederen; anderzijds: alle lasten der |
|
46254 |
Mpij. van welken aard ook - mits geen kapitaalsuitgaven - inclusief uitgaven |
|
46255 |
voor wagenhuren, voor gemeenschappelijk gebruik, voor pachten enz., terwijl verder |