|
25128 |
850 MIJNBOUW-MAATSCHAPPIJEN |
|
25129 |
De vennootschap heeft den eigendom verkregen van zeer belangrijke steenkolen- |
|
25130 |
concessies en terreinen, gelegen in Duitschland in de onmiddellijke nabijheid |
|
25131 |
der Nederlandsche grens en bekend onder de namen van Rheinbohr-, Tamen- |
|
25132 |
en Honigmann-velden. De concessies der mpij. worden gehouden door dochter- |
|
25133 |
mpijen, waarvan de voornaamste zijn de Gewerkschaft „Sophia-Jacoba“ te |
|
25134 |
Hückelhoven met de daaromheen liggende nog niet in exploitatie genomen mijn- |
|
25135 |
velden, en de N.V. „Mijnbouw“ te 's-Gravenhage een schachtbouwonderneming |
|
25136 |
met haar verwante Duitsche onderneming, de Westrheinische Tiefbohr- und Schacht- |
|
25137 |
bau Ges. te Düsseldorf. Genoemde Gewerkschaft bezat ulto Maart 1939, 323 H.A. |
|
25138 |
gronden en 1185 woningen voor arbeiders en beambten. In 1933 werd opgericht |
|
25139 |
de N.V. Mij. tot Exploitatie van Octrooien „Barywa“, welke het wasscherij- |
|
25140 |
procédé „de Vooys" met toenemend succes exploiteert. Verder heeft de Neder- |
|
25141 |
landsche Maatschappij t.o.v. Steenkolenvelden nog belang bij kolenhandelver- |
|
25142 |
eenigingen, bij een inkoopvereeniging van grondstoffen etc. In 1933 sloot de |
|
25143 |
maatschappij zich voor den tijd van 8 jaren aan bij het Rheinisch-Westfälische |
|
25144 |
Kohlen-Syndicaat. In 1936 werd met de Staatsmijnen in Limburg een overeen- |
|
25145 |
komst aangegaan. |
|
25146 |
Kapitaal: f 20.060.000, verdeeld in 60 pref. aandeelen van f 1000 op naam (uit- |
|
25147 |
gegeven tot wering van vreemde invloeden) en 2000 gew. aand. van f 10.000 aan |
|
25148 |
toonder, splitsbaar in onderaand. van f 500, waarvan geplaatst resp. f 48.000 en |
|
25149 |
f 10.000.000. Voor den inbreng werden f 7.000.000 gew. aand. afgegeven, terwijl |
|
25150 |
f 5.000.000 onderhands plaatsing vonden, in boekjaar 1919/20 f 1.700.000, in |
|
25151 |
boekjaar 1920/21 f 3.000.000 en in boekjaar 1922/23 f 600.000 door de aandeel- |
|
25152 |
houders werden genomen. Van de sedert geplaatste f 17.300.000 aandeelen werden |
|
25153 |
er in 1929, ingevolge overeenkomst tusschen schuldeischers en aandeelhouders, |
|
25154 |
f 7.178.500 afgegeven ter betaling der schulden tot dat bedrag, terwijl aandeel- |
|
25155 |
houders bovendien f 7.300.000 aandeelen ter beschikking der vennootschap stel- |
|
25156 |
den, zoodat sedert f 10.000.000 gewone aandeelen uitstaan. De offers van aan- |
|
25157 |
deelhouders stelden de mpij. in staat alle tot 1 Nov. 1929 geleden verliezen af te |
|
25158 |
schrijven. |
|
25159 |
Winstverdeeling: eerst 6 pct. aan preferente aandeelhouders; daarna 6 pct. aan |
|
25160 |
gewone aandeelhouders over hun aandeelen, beide cumulatief vanaf 1 April 1920. |
|
25161 |
Van de rest: 10 pct. aan de directie en 5 pct. aan commissarissen. Van het meer- |
|
25162 |
dere ¿ aan den Staat en ¿ aan de vennootschap, totdat deze laatste uit dit deel |
|
25163 |
der winst 4 pct. over de geplaatste aandeelen heeft ontvangen. Van het dan over- |
|
25164 |
blijvende { aan den Staat en { aan de vennootschap. De in de laatste 2 zinnen |
|
25165 |
genoemde twee deelen voor de vennootschap komen ter beschikking van de alg. |
|
25166 |
verg. ten behoeve van de gewone aandeelhouders. |
|
25167 |
Dividend gewone aandeelen: t/m 1938/39: nihil; preferente aandeelen t/m. 1932/33: |
|
25168 |
nihil; 1933/34: 84 pct .; 1934/35 - 1938/39: telkens 6 pct. |
|
25169 |
Ter gedeeltelijke betaling van de mijnbelangen, zoowel als ter bestrijding der |
|
25170 |
sommen, benoodigd voor de voorloopige ontginning der terreinen, werd een 6 p c t. |
|
25171 |
eerste hypothecaire obligatieleening gecreëerd, groot |
|
25172 |
f 10.000.000, waarvan f 6.000.000 onderhands plaatsing vonden en f 4.000.000 |
|
25173 |
bij publieke emissie werden uitgegeven in stukken groot f 1000, met coupons |
|
25174 |
per 1 Febr. en 1 Aug. Aflossing à pari moest volgens de oorspronkelijke voor- |
|
25175 |
waarden der leening geschieden in 1922 t.e.m. 1941. Tot en met 1924 werd f 865.000 |
|
25176 |
afgelost, waarna de uitloting eerst 5, en daarna weder 5 jaar werd opgeschort. |
|
25177 |
Volgens het laatste opschortingsbesluit, d.d. 25 November 1929 genomen, zal |
|
25178 |
verdere aflossing geschieden op 1 Febr. der jaren 1935 t/m. 1951 van resp. 324, |
|
25179 |
343, 364, 386, 409, 433, 459, 487, 516, 547, 580, 614, 651, 690, 732, 776 en 824 |