|
20103 |
SPOORWEGFONDSEN. 921 |
|
20104 |
leening, vermeerderend met de vrijgevallen rente, betaalbaar à pari |
|
20105 |
Nov. d.a.v. Vervroegde aflossing voorbehouden. Uitstaand bedrag |
|
20106 |
op 31 Dec. 1905: f 14.292.000. |
|
20107 |
1895 1896 1897 1898 1899 1900 1901 1902 1903 1904 |
|
20108 |
Laagste koers 100g 99} 99% 100 972 94g 95 98 97 98 |
|
20109 |
Hoogste koers 101} 102 101} 101} 1013 97% 99% 1002 992 100% |
|
20110 |
Voor Hoogsten en Laagsten Koers 1905, zie index. |
|
20111 |
Mij. tot Expl, v, Staatsspoorwegen; 3} pcts, lee- |
|
20112 |
ningen van 1890, 1891, 1892 en 1898. Leening van |
|
20113 |
1890, f 6.000.000, in 6 Seriën van f 1.000.000; uitgifte op 1 October |
|
20114 |
1890. Bedrag op 31 December 1905: f 5.411.000. Leening van |
|
20115 |
1891. Bedrag en seriën als voren; uitgifte op 12 Sept. 1891. Bedrag |
|
20116 |
op 31 Dec. 1905: f 5.460.000. Leening van 1892, gr. f 15.000.000, |
|
20117 |
waarvan uitgegeven f 4.000.000, in 4 seriën van f 1.000.000; uitgifte |
|
20118 |
op 1 Febr. 1893. Bedrag op 31 Dec. 1905: f 3.654.000. De overige se- |
|
20119 |
riën dezer leening bestaan uit 3 pcts. obligatiën. Leening van |
|
20120 |
1896, groot f 5.000.000, in 5 Seriën elk groot f 1.000.000, waarvan uit- |
|
20121 |
gegeven 2 Seriën à 1001/4 pct. op 11 Juli 1898, en 3 Seriën à 961/2 pct |
|
20122 |
op 18 April 1900. Zie hieronder. Van de eerste 2 Seriën waren uit- |
|
20123 |
staande op 31 Dec. 1905 f 1.921.000. Dooreen leverbaar zijn de obl. der |
|
20124 |
leening van 1890, die van 1891, serie 1, 2, 3 en 4 van de leening 1892 |
|
20125 |
en serie 1 en 2 van de leening 1898, terwijl de seriën 3, 4 en 5 van |
|
20126 |
de leen. 1896 eene afzonderlijke noteer. hebben (zie deze). Bij voren- |
|
20127 |
staande emissiën hadden de houders van aand. en oprichtersaand. |
|
20128 |
den voorrang. De drie eerstvermelde werden alle à 99 geëmitteerd. |
|
20129 |
Oblig. gr. f 1.000; coupons 1 Jan. en 1 Juli. De amort. geschiedt |
|
20130 |
binnen 60 jaren, bij uitloting in Oct. van } pct. van de bedragen der |
|
20131 |
leeningen per jaar, vermeerderend met de door de afl. vrijvallende |
|
20132 |
rentebedragen, ter uitbet. à pari op 2 Jan. d.a.v. Alles behoudens |
|
20133 |
vervroegde aflossing, waartoe de Maatschappij ten allen tijde gerech- |
|
20134 |
tigd is. De eerste uitloting had plaats: bij de leening van 1890 in |
|
20135 |
1891, bij die van 1891 in 1892, bij die van 1892 in 1893, bij die van |
|
20136 |
1898: voor de seriën 1 en 2 in 1899; telkens in October. |
|
20137 |
1895 1896 1897 1898 1899 1900 1901 1902 1903 1904 |
|
20138 |
Laagste koers 1.00% 992 99% 100 972 944 95 973 97 98 |
|
20139 |
Hoogste koers 101} 102 101} 101} 1013 981/10 99% 99 号 99% 100g |
|
20140 |
Voor Hoogsten en Laagsten Koers 1905, zie index. |
|
20141 |
Mij. tot Expl, v. Staatsspoorwegen; 3} pcts, obl. |
|
20142 |
van 1898. Deze obligatiën vormen de drie hiervoren vermelde |
|
20143 |
Seriën (3, 4 en 5) uitgegeven à 963 pct. op 18 April 1900, met voorrecht |
|
20144 |
van inschrijving voor aandeelhouders. Obl. groot f 1000 met coupons |
|
20145 |
1 April en 1 Oct .; eveneens aflosbaar in 60 jaar door jaarlijksche amor- |
|
20146 |
tisatie van 3 pct., telkens vermeerderend met de vrijgevallen rente |
|
20147 |
uit de vroeger afgeloste bedragen. De uitlotingen hebben plaats in |
|
20148 |
October (de eerste in 1900) ter betaling à pari 1 April d.a.v. Van |
|
20149 |
het oorspronkelijk bedrag was op 31 Dec. 1905 nog uitstaande |
|
20150 |
f 2.901.000. |