|
34356 |
PETROLEUM-MAATSCHAPPIJEN. 1137 |
|
34357 |
ontslag van haren directeur van zijne aansprakelijkheid ter zake van in dat jaar |
|
34358 |
verrichte handelingen medebrengt, terwijl de Rechtbank, blijkens het boven- |
|
34359 |
staande, besliste, dat het ontslag van aansprakelijkheid, bedoeld in art. 18 der |
|
34360 |
Statuten, beperkt is tot die handelingen, waarvan uit de goedgekeurde stukken |
|
34361 |
blijkt; |
|
34362 |
in de tweede plaats, doordat in het middel als feitelijk vaststaand wordt aan- |
|
34363 |
genomen, dat evenbedoelde goedgekeurde stukken, voor wat betreft het jaar |
|
34364 |
1909, deden blijken van den aankoop in 1909 van 1500 aandeelen Zuid-Perlak. terwijl |
|
34365 |
blijkens het bovenoverwogene de Rechtbank aannam, dat, mocht uit die stukken |
|
34366 |
ook al van een verkrijging dier aandeelen blijken, daaruit toch niet kan worden |
|
34367 |
afgeleid dat de verkrijging had plaats gehad bij een transactie als door ver- |
|
34368 |
weerster aan hare vordering ten grondslag is gelegd en ter zake waarvan, wilde de |
|
34369 |
vordering op den thans besproken grond niet-ontvankelijk kunnen worden ver- |
|
34370 |
klaard, de eischer zou moeten zijn gedechargeerd; |
|
34371 |
O. dat dit middel er overigens over klaagt dat de vordering van verweerster |
|
34372 |
ontvankelijk is verklaard op gronden welke die beslissing niet rechtvaardigen en |
|
34373 |
ook zelve met de aangehaalde artikelen in strijd zijn, waarmede zijn bedoeld |
|
34374 |
de gronden door de Rechtbank voor hare beslissing bijgebracht die boven onder |
|
34375 |
10. en 20. zijn omschreven, die, zoo niet onjuist bevonden, ieder op zich zelf de ge- |
|
34376 |
geven beslissing rechtvaardigen, zoodat slechts dan cassatie van het bestreden von- |
|
34377 |
nis zou kunnen volgen, wanneer de onjuistheid van beide gronden uit het aange- |
|
34378 |
voerde zou voortvloeien ; |
|
34379 |
O. alsnu, voor wat den grond sub. 10 betreft: |
|
34380 |
dat daarbij wordt vooropgesteld een algemeen beginsel, dat ontslag van aan- |
|
34381 |
sprakelijkheid door de goedkeuring van zekere stukken niet verder strekt dan wat |
|
34382 |
uit die stukken blijkt en dan verder door de Rechtbank wordt aangenomen, dat |
|
34383 |
dit algemeene beginsel ook wordt gehuldigd in art. 18 der Statuten van ver- |
|
34384 |
weerster, zoodat ook voor dit bijzonder geval goedkeuring der in dat artikel genoemde |
|
34385 |
stukken (balans en winst- en verliesrekening) slechts décharge medebrengt van |
|
34386 |
handelingen, welke uit die stukken blijken; |
|
34387 |
O, dat de beslissing der Rechtbank, dat art. 18 der Statuten gezegd algemeen |
|
34388 |
beginsel huldigt, is feitelijk en dus in cassatie onaantastbaar, terwijl de niet-toe- |
|
34389 |
passelijkheid van dat algemeen beginsel zelf in cassatie alleen zou kunnen |
|
34390 |
worden aangenomen, zoo het mocht blijken in strijd te zijn met een der in het |
|
34391 |
middel aangehaalde wetsartikelen, waarbij dan alleen te denken valt aan het |
|
34392 |
derde lid van art. 1374 B. W., en aan art. 780 B. R .; |
|
34393 |
dat echter het door de Rechtbank vooropgestelde algemeene beginsel niet met die |
|
34394 |
wetsbepalingen is in strijd ; |
|
34395 |
met de eerste niet, omdat de goede trouw, die bij de uitvoering van overeen- |
|
34396 |
komsten moet worden inachtgenomen, zich zeker niet verzet tegen de stelling, |
|
34397 |
dat de strekking eener decharge, welke onmiddellijk uit de goedkeuring van bepaalde |
|
34398 |
stukken voortvloeit, door den inhoud dier stukken wordt bepaald; |
|
34399 |
met het tweede niet, omdat art. 780 B. R. - daargelaten of het niet slechts |
|
34400 |
bij analogie op rekeningen in der minne is toepasselijk te achten, zoodat zijne |
|
34401 |
schending in cassatie niet zou kunnen worden onderzocht - niet geldt voor eene |
|
34402 |
décharge ter zake van gevoerd beheer zooals ten deze, doch in zijne toepasselijk- |
|
34403 |
heid is beperkt tot de goedkeuring der cijfers eener afgelegde rekening en verant- |
|
34404 |
woording als omschreven in art. 774 B. R .; |
|
34405 |
O, dat uit het bovenstaande volgt, dat de onjuistheid van den eersten door de |
|
34406 |
rechtbank voor het thans besproken deel harer beslissing aangevoerden grond |
|
34407 |
niet uit het in dit middel bijgebrachte kan worden afgeleid, zoodat, gelijk |
|
34408 |
boven werd overwogen, een onderzoek ten aanzien van den tweeden grond kan |
|
34409 |
achterwege blijven; |
|
34410 |
O. dat mitsdien vaststaat, dat het thans besproken middel eensdeels ten |
|
34411 |
onrechte stelt, dat uit de goedgekeurde balans en winst- en verliesrekening van |
|
34412 |
verweerster over 1909 van de transactie, ter zake waarvan de eischer tot schade- |
|
34413 |
vergoeding is aangesproken, blijkt, andersdeels ten onrechte betwist dat de |
|
34414 |
décharge door goedkeuring dier stukken niet verder strekt dan tot wat uit die |
|
34415 |
stukken blijkt, waaruit volgt, dat de ontvankelijkheid der vordering, niettegen- |
|
34416 |
staande de goedkeuring van meergenoemde stukken, ten onrechte bij dit middel |
|
34417 |
wordt betwist en dat dit als ten deele zonder feitelijken grondslag en ten deele |
|
34418 |
ongegrond niet tot cassatie kan leiden; |
|
34419 |
O. voor wat betreft het tweede middel: |
|
34420 |
dat dit vooropstelt, dat feitelijk vaststaat, dat de eischer door de goedkeuring |
|
34421 |
der balans en winst- en verliesrekening van verweerster over 1909 ter zake van |
|
34422 |
zijne aansprakelijkheid voor den aankoop der aandeelen Zuid-Perlak werd ont- |
|
34423 |
slagen, en er dan over klaagt, dat dit vaststaande ontslag door de Rechtbank op |
|
34424 |
onjuiste gronden is ter zijde gesteld; |
|
34425 |
dat die klacht reeds hierop afstuit, dat, gelijk boven werd overwogen, op gron- |
|
34426 |
den welker juistheid voor dit geding moet worden aangenomen, door de Recht- |
|
34427 |
bank werd beslist, dat het in dit middel als feitelijk vaststaand vermelde ontslag |
|
34428 |
van aansprakelijkheid inderdaad niet werd verleend, zoodat van eene terzijde- |
|
34429 |
stelling van dit niet verleende ontslag op juiste of onjuiste gronden geen sprake |
|
34430 |
kan zijn en dus ook dit middel niet tot cassatie kan leiden; |
|
34431 |
Ten aanzien van het derde middel, onderdeel a: |
|
34432 |
O. dat uit het bestreden vonnis blijkt, dat bij inleidend verzoekschrift is ge- |
|
34433 |
steld, dat het beweerde plichtsverzuim van eischer, waarop de vordering is ge- |
|
34434 |
VAN Oss, Effectenboek voor 1922. XIX1. 72 |