Page 1194 in yearbook 1922

Page 1194 in yearbook 1922

Page Block

Scanned page

Yearbook Vol. Seq P.no Type Size File
1922 vanoss_1922_domestic 1194 1138 content 1928 × 2479 1922/36743

Blocks on this page 0

No blocks have been marked on this page.

Page content 80

The raw OCR output of this page, line by line.
34435 1138 PETROLEUM-MAATSCHAPPIJEN.
34436 grond, bestond in een handelen des eischers ter verkrijging der aandeelen Zuid-
34437 Perlak door verweerster en dat daaraan in den loop van het geding is toege-
34438 voegd, dat eischers plichtsverzuim mede bleek uit een niets doen ter voorkoming
34439 van die verkrijging, tegen welke toevoeging eischer zich heeft verzet, op grond
34440 dat zij zoude inhouden eene verboden verandering van den eisch;
34441 dat echter de Rechtbank dit verzet ongegrond heeft geoordeeld, in de eerste
34442 plaats omdat art. 134 B. R. niet toepasselijk zou zijn in geval van een rechtsgeding
34443 voor het Kantongerecht gevoerd, en in de tweede plaats, omdat de toevoeging
34444 niet inhield eene verboden verandering van eisch;
34445 O. dat hieruit blijkt, dat het thans besproken onderdeel van dit middel in het
34446 bestreden vonnis feitelijken grondslag vindt, maar dat desniettemin zijne ge-
34447 grondheid niet behoeft te worden onderzocht;
34448 O. toch, dat de Rechtbank bij haar onderzoek naar en hare beslissing over de
34449 gegrondheid der vordering deze aanneemt uitsluitend op grond van het feit, dat
34450 eischer den aankoop der aandeelen Zuid-Perlak door de verweerster, onder de
34451 omstandigheden en op de wijze als door verweerster is beweerd, heeft bewerk-
34452 stelligd, dus op grond van een handelen des eischers, zoodat de opvatting der
34453 Rechtbank, dat de toewijzing der vordering ook mogelijk zou zijn geweest op
34454 grond van een niet-handelen van eischer, van geen invloed is geweest op de be-
34455 slissing en dus ook niet tot cassatie daarvan kan leiden;
34456 Ten aanzien van het derde middel, onderdeel b:
34457 O. dat feitelijk vaststaat, dat bij het inleidend verzoekschrift de plichtsverzaking
34458 van eischer ter gelegenheid der verkrijging der aandeelen Zuid-Perlak door ver-
34459 weerster onder andere wordt afgeleid uit eischers bekendheid vóór die transactie
34460 met een rapport van den geoloog Dr. Blumer over Aloë Meurante, maar in dat
34461 verzoekschrift niet gerept wordt van een rapport van dienzelfden deskundige over
34462 Aloë Mas, terwijl in den loop van het geding ook op des eischers bekendheid met
34463 dit laatste rapport vóór de transactie beroep is gedaan en de Rechtbank mede
34464 op grond van die bekendheid de gegrondheid der vordering aanneemt;
34465 dat eischer hierin ziet eene verboden verandering van den eisch en eene toe-
34466 wijzing der vordering, op grond van andere feiten dan er bij inleidend verzoek-
34467 schrift aan ten gronde waren gelegd, echter ten onrechte, daar des eischers be-
34468 kendheid ook met het rapport Aloe Mas alleen kon strekken en blijkens het be-
34469 streden vonnis ook gestrekt heeft tot versterking van het bewijs van den grond-
34470 slag der vordering, voor zoover die was, dat de eischer, vóór hij de verkrijging
34471 der aandeelen der Zuid-Perlak door de verweerster bewerkstelligde, wist dat aan
34472 het bezit dier aandeelen een groot risico was verbonden;
34473 O. dat dus ook dit onderdeel van het derde middel is ongegrond;
34474 Ten aanzien van het vierde middel:
34475 O. dat de Rechtbank bij haar onderzoek naar de gegrondheid der vordering
34476 eerst zes in haar vonnis opgenomen feiten, de handelingen van den eischer be-
34477 treffende, en vervolgens een zestal onder a-f omschreven omstandigheden, waar-
34478 onder deze geschiedden, vaststelt en dan op grond van een en ander als bewezen
34479 aanneemt in de eerste plaats, dat de eischer de evenbedoelde transactie bewerk-
34480 stelligde, en in de tweede plaats, dat hij dit deed uit eigen belang met roekelooze
34481 achterstelling van het belang der verweerster;
34482 dat dan de Rechtbank dit laatste nog nader met redenen omkleedt door er op
34483 te wijzen, dat de eischer de ongunstige rapporten van den geoloog Dr. Blumer over
34484 Aloë Mas en Aloë Meurante vóór de totstandkoming der transactie kende en bij
34485 die totstandkoming door Mr. Capadose ernstig werd gewaarschuwd, dit alles ter-
34486 wijl de hoofdzakelijke en den eischer welbewuste rechtsvaardigingsgrond der
34487 transactie, gelegen in het door de deelneming in goed en waardevol ander terrein
34488 waarborgen tegen uitputting van eigen terrein, de hoogst mogelijke voorzichtigheid
34489 vereischte;
34490 0. dat vervolgens de Rechtbank zich de vraag stelt, of, wat door eischer tot
34491 wegneming of vermindering der betekenis van voorbedoelde omstandigheden is
34492 bijgebracht, wijziging in hare waardeering dier omstandigheden moest brengen,
34493 maar zij die vraag ontkennend beantwoordt en zij dus haar oordeel, dat des
34494 eischers optreden was roekeloos, ook na het door eischer bijgebrachte in de
34495 weegschaal te hebben gelegd, handhaaft, met het uitdrukkelijk vermelde gevolg,
34496 dat, nu des eischers roekelooze daad aan de verweerster schade heeft berokkend,
34497 de eischer voor die schade verantwoordelijk is;
34498 O. dat tegen die beslissingen het vierde middel is gericht, waarbij in het alge-
34499 meen wordt beweerd, dat die beslissingen niet met redenen zijn omkleed en in het
34500 bijzonder wordt gesteld, dat de Rechtbank in vier in het middel onder a-d om-
34501 schreven opzichten de aangehaalde artikelen zou hebben geschonden;
34502 O. dat de algemeene klacht, dat de beslissing der Rechtbank niet met redenen
34503 · zou zijn omkleed, hierop berust, dat de Rechtbank geen rekening zou hebben ge-
34504 houden met des eischers bewering, dat ten tijde der transactie de rapporten van
34505 Dr. Blumer en de waarschuwing van Mr. Capadose geen gewicht in de schaal
34506 konden leggen, terwijl van de transactie toen groot voordeel voor verweerster was
34507 te wachten en door eischer verwacht werd, wat alles door den eischer te bewijzen
34508 is aangeboden;
34509 O. dat deze algemeene grief ten deele is ongegrond en ten deele feitelijken
34510 grondslag mist;
34511 dat toch de Rechtbank zich wel degelijk de vraag heeft gesteld of de beweringen
34512 van eischer invloed konden hebben op hare waardeering van diens handelingen,
34513 maar zij die vraag, - aangenomen dat die beweringen feitelijk juist waren
34514 ontkennend heeft beantwoord, zocdat voor de Rechtbank geen reden bestond ten