|
25021 |
MIJNBOUW-MAATSCHAPPIJEN 859 |
|
25022 |
verdere aflossing geschieden op 1 Febr. der jaren 1935 t/m. 1951 van resp. 324, |
|
25023 |
343, 364, 386, 409, 433, 459, 487, 516, 547, 580, 614, 651, 690, 732, 776 en 824 |
|
25024 |
obligatiën. Loting telkens in November te voren. Op 1 Aug. 1935 werd nom. |
|
25025 |
f 1.000.000 extra afgelost; op 1 Sept. 1936 en 1 Jan. 1938 werden resp. f 500.000 |
|
25026 |
en f 1.000.000 afgelost, vertegenwoordigende de verplichte aflossingen van 1938 |
|
25027 |
t/m. 1940 en f 272.000 van 1941. Hierna staan nog f 5.604.000 obligatiën uit. Ter |
|
25028 |
gelegenheid van het eerste uitstel, op 10 October 1924 verleend, verplicht te de mpij. |
|
25029 |
zich tot - en zorgde voor - omzetting der op de bezittingen der mpij. rustende |
|
25030 |
hypotheek in Marken tot een in Guldens en wel tot het volle bedrag van |
|
25031 |
f 10.000.000. Recht tot algeheele aflossing of versterking van de in het |
|
25032 |
aflossingsplan aangegeven jaarlijks ter aflossing bestemde bedragen voor- |
|
25033 |
behouden met een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden. De |
|
25034 |
mpij. mag ter beurze of elders inkoopen. De ingekochte bedragen kunnen |
|
25035 |
in mindering worden gebracht van de verplichte aflossingstermijn waarvoor de |
|
25036 |
ingekochte stukken bij den Trustee ter vernietiging zijn ingeleverd. Ten behoeve |
|
25037 |
van obligatiehouders hebben de betrokken Gewerkschaften eene eerste hypotheek |
|
25038 |
in het Grundbuch doen inschrijven op 15 maximaal-velden van de Rheinische |
|
25039 |
Bohrgesellschaft, 34 van de Deutsch-Oesterreichsche Bergwerksgesellschaft en |
|
25040 |
29 van de familie Honigmann. De hypotheekrechten dezer acte hebben niet |
|
25041 |
alleen betrekking op de terreinen met hun kolenrijkdom, reeds bestaande schach- |
|
25042 |
ten en machinerieën, doch ook op de nog te bouwen schachten en de nog op de |
|
25043 |
terreinen bij verdere ontginning nieuw op te stellen machinerieën. |
|
25044 |
Trustee: het Nederlandsch Administratie- en Trustkantoor te Amsterdam. |
|
25045 |
Op 26 April 1917 stond bij de R.B.V. de inschrijving à pari open op f 4.000.000 |
|
25046 |
obligatiën, welke op 21 November 1918 in de officieele noteering te Amsterdam |
|
25047 |
werden opgenomen. Prospectus in deel I, 1917/18. |
|
25048 |
Regeeringscommissaris: Mr. J. W. Beyen te Bazel. Commissarissen: Dr. F. H. |
|
25049 |
Fentener van Vlissingen, voorzitter en J. W. van Beuningen, secretaris te Utrecht, |
|
25050 |
D. G. van Beuningen en A. Gips, te R'dam, J. F. van Hengel te A'dam, Mr. H. van |
|
25051 |
Manen te Utrecht, Dr. Ir. G. L. F. Philips te Eindhoven en B. E. Ruys te Rot- |
|
25052 |
terdam. Directie: Prof. Ir. Is. D. de Vooys en J. M. Honig. |
|
25053 |
Adres: Arnhem, Ernst Casimirlaan 5. |
|
25054 |
Koersen 1917: 10118/16-100; 1920: 831-60; 1925: 791-591; 1930: 81}-75; 1931: 90-70; 1932: 84-65; |
|
25055 |
1933: 913-79; 1934: 99-801; 1935: 101-90; 1936: 103}-97. |
|
25056 |
Voornaamste bepalingen uit de overeenkomst (1920/21) tusschen |
|
25057 |
Nederland en de Duitsche regeering inzake de mijnvelden der „Ned. Mij. tot ontg. |
|
25058 |
van steenkolenvelden, welke gelegen zijn bij de grens van Limburg. De Duitsche regeering verklaart |
|
25059 |
zich bereid toe te staan dat deze velden worden ontgonnen door het delven van mijnschachten, die |
|
25060 |
zoowel op Nederl. als op Duitsch grondgebied kunnen liggen. Duitschland staat toe, zonder daaraan |
|
25061 |
voorwaarden te verbinden, dat met het oog op de natuurlijke verhoudingen ten aanzien van de gren- |
|
25062 |
zen en den afzet der kolen, 50 pct. van de opbrengst der mijnschachten, gelegen op Duitsch grensgebied, |
|
25063 |
van 1 April 1920-31 Maart 1954 rechtstreeks naar Nederland wordt uitgevoerd in hoeveelheden, die |
|
25064 |
1} millioen ton per jaar niet te boven mogen gaan. Ten aanzien van heffingen of rechten op den uit- |
|
25065 |
voer wordt overeengekomen, dat deze heffingen tot 31 Dec. 1923 niet meer mogen beloopen dan de |
|
25066 |
helft van het verschil tusschen den Duitschen prijs in het binnenland en den prijs voor uitvoer naar |
|
25067 |
Nederland en dat zij niet hooger mogen zijn dan die op de kolen uit de mijnen van het „Reinisch-West- |
|
25068 |
falisches Kohlensyndikat". Van de 1 Jan. 1924-31 Maart 1954 is het gedeelte van 50 pct., van de |
|
25069 |
opbrengst, waarvoor de uitvoer rechtstreeks naar Nederland is toegestaan, vrij van heffingen en uitvoer- |
|
25070 |
rechten. Duitsche binnenlandsche heffingen, zooals belasting op steenkool enz. worden voldaan over- |
|
25071 |
eenkomstig de bepalingen, die alsdan van toepassing zullen zijn. |
|
25072 |
Hieronder volgt de voornaamste bepaling uit de overeenkomst der Maat- |
|
25073 |
schappij met den Staat der Nederlanden. De Vennootschap verbindt zich, indien en |
|
25074 |
voor zoover de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel dit verlangt, de steenkolen, steenkolen- |
|
25075 |
briketten en cokes, welke zij uit de hierboven bedoelde steenkolenvelden verkrijgt, en mag uitvoeren, |
|
25076 |
naar Nederland te voeren en op de Nederlandsche markt te verkoopen op straffe van een boete van |
|
25077 |
f 10 voor elke ton ten aanzien waarvan overtreding geschiedt. |